De juiste zorgverlener op het juiste moment
Patiënten die dringend hulp nodig hebben, willen zo snel mogelijk een zorgverlener. Maar moet dat altijd de huisarts zijn? Met de steun van het Fonds Daniël De Coninck onderzoekt het team van wijkgezondheidscentrum De Kaai in Gent of directe toegang voor patiënten tot andere zorgverleners dan de huisarts werkt.
Zoals wel vaker, was het de covidpandemie die de geesten deed rijpen in wijkgezondheidscentrum De Kaai in Gent. De huisartsen werden overspoeld door patiënten met acute klachten. Ze hielden daardoor minder tijd over voor reguliere en chronische zorg. “We hadden bovendien het gevoel dat de huisarts niet altijd de ideale persoon was voor de klacht waar de patiënt mee zat”, zegt kinesiste Hanne Vanderhaeghe.
Het werd de aanleiding voor een project waarmee De Kaai de directe toegang voor patiënten tot zorgverleners en het complementair werken van verschillende disciplines op de kaart zet. Voordien fungeerden de huisartsen in De Kaai, zoals elders, als spelverdeler, die elke patiënt zien en indien nodig doorverwijzen. Vandaag hoeven patiënten niet eerst via de huisarts te gaan als dat niet nodig is. “Ze kunnen direct aankloppen bij de gepaste zorgverlener”, zegt Vanderhaeghe.
In De Kaai betekent dit dat patiënten aan het onthaal, waar de triage gebeurt, meteen een afspraak kunnen vastkrijgen bij de verpleegkundige, de kinesist of de maatschappelijk werker, wanneer ze een dringende vraag hebben die deze zorgverleners ook, en zelfs beter, kunnen beantwoorden.
Het vertrouwen onder zorgverleners was er al, maar tijdens dit proces hebben we intensief van elkaar geleerd
— Sofie Spiers, Huisarts, WGC De KaaiDe kinesist als eerste aanspreekpunt
“Bij bewegingsklachten of klachten van houding kan een huisarts vaak toch niet meer doen dan na een eerste inschatting doorverwijzen naar de kinesist”, zegt huisarts Sofie Spiers. “Een kinesist kan perfect muscoskeletale klachten evalueren. Die heeft daar vijf jaar een specifieke opleiding voor gevolgd. Kinesisten stellen in onze praktijk dus de diagnose en bepalen de therapie. Dit geeft de kinesist veel meer therapeutische vrijheid.”
De huisartsen blijven wel standby voor het geval dat de andere zorgverleners toch even willen overleggen of advies inwinnen. Administratief zijn ze bovendien de enigen die op dit moment voorschriften voor arbeidsongeschiktheid, medicatie of medische beeldvorming kunnen afleveren, na het advies van de kinesist.

Geen overconsumptie, wel efficiëntere zorg
Het is een zorgmodel dat werkt, zo hadden ze de indruk. Patiënten zijn snel en efficiënt geholpen en De Kaai maakt nu volop gebruik van de kennis en de expertise van de andere zorgverleners in huis. Maar is die indruk terecht? Dat hebben ze kunnen onderzoeken dankzij de beurs van het Fonds.
Kort gezegd: ja. Aan de hand van een analyse van de dringende raadplegingen stelden ze vast dat bij een op de drie patiënten die zich aanmeldden met dringende klachten, de klachten meteen door een kinesist konden bekeken worden. De directe toegang tot kine leidde niet, zoals gevreesd door sceptici van dit model, tot overconsumptie van medische beeldvorming of te snel voorschrijven van arbeidsongeschiktheid of medicatie.
“We stelden weinig verschillen vast tussen het voorschrijfgedrag van de huisarts en van de kinesist”, zegt Spiers. Meer nog, op sommige vlakken, zoals voor medicatie of kine, schreef de huisarts vaker voor dan haar collega-kinesist. “Huisartsen hebben minder tijd, ze zien meer verschillende soorten problemen”, zegt Spiers. “Ze kiezen daardoor soms sneller voor de oplossing van de minste weerstand.”
Dat in hun praktijkonderzoek geen overconsumptie werd vastgesteld zien Sofie Spiers en Hanne Vanderhaeghe als een grote troef in de dialoog die momenteel aan de gang is over het model van directe toegang met het kabinet van Volksgezondheid – bezorgd als de overheid is om de mogelijke gevolgen voor het kostenplaatje van de gezondheidszorg van een aanpak die meer verantwoordelijkheid geeft aan de patiënt. “Dit terwijl de kinesist vaak een meer activerende insteek heeft dan de huisarts.”

De beurs gaf ons de tijd en de ruimte om dit model in onze praktijk te evalueren
— Hanne Vanderhaeghe, kinesiste WGC De KaaiSamen leren, samen bijsturen
“De beurs gaf ons de tijd en de ruimte om dit model in onze praktijk te evalueren”, zegt Vanderhaeghe. De dataverzameling, met een analyse van het voorschrijfgedrag en van opnames van raadplegingen, focusgroepen met patiënten en zorgverleners, en de samenwerking met thesisstudenten van de UGent, was intensief. Spiers: “Maar het leverde een gevalideerde en betrouwbare evaluatie op.”
Voor De Kaai is dit een bevestiging van de richting die ze al ingeslagen waren. “Het vertrouwen onder zorgverleners was er al in onze praktijk, maar tijdens dit hele proces moesten we intensief samenzitten, waardoor we ook veel van elkaar hebben geleerd”, zegt Vanderhaeghe. “Een middel dat de huisarts gebruikt dat jij niet kent, een behandeling die jij toepast waarvoor anderen niet meteen zouden gekozen hebben.” Ze leerden samen nadenken over de juiste aanpak en de hulpvraag vanuit verschillende competenties en invalshoeken bekijken. “Dat maakte het extra waardevol.”
Zij doen dus voort zoals ze bezig waren. “Het onderzoek toonde wel enkele verbeterpunten. De kinesist kan wat korter leren werken. Huisartsen moeten zich de superviserende rol goed eigen maken. Voor de verpleegkundige gaan we handelingen uitbreiden van luchtwegenaandoeningen naar gastro-intestinale aandoeningen. We hebben ook gezien dat we voor de maatschappelijk werkers niet hoeven vast te houden aan afspraken nog de dag zelf, de vragen daar zijn zelden acuut.”
De praktijkstudie versterkte ook het geloof van Spiers en Vanderhaeghe in het potentieel van deze aanpak voor andere wijkgezondheidscentra en voor niet forfaitaire praktijken, waar zorgverleners per prestatie betaald worden. Al beseft Spiers dat deze prestatiegeneeskunde het voor huisartsen moeilijker maakt om te kiezen voor zorgmanagement bij directe toegang. “Het kader volgt nog niet, maar de wil om het anders te doen, is er bij velen.”
“Het infomoment voor de wijkgezondheidscentra hebben we moeten vervroegen omdat er zoveel belangstelling was. Drie centra in Gent experimenteren nu ook met de directe toegang.” Hanne Vanderhaeghe presenteerde de aanpak van de Kaai ook op het internationaal huisartsencongres WONCA. Zodra het eindrapport klaar is, gaan ze de resultaten verder verspreiden, onder andere via De Huisarts.
“Je kan deze manier van zorgcomplementair werken niet copy-paste toepassen”, besluit Spiers. “Elke praktijk moet die aanpassen aan de eigen noden. Maar dankzij het onderzoek kunen we data voorleggen en hebben we een kwalitatieve validering om mee naar buiten te treden.”
Heb je zelf interesse om aan interdisciplinair onderzoek te doen in de eerste lijn? Dien je kandidatuur in voor de jaarlijkse Beursoproep van het Fonds Dr. Daniël De Coninck vanaf eind maart.